Molens


In 1667 wordt het merk molen in gouda in gebruik genomen. De afbeelding die wordt gegraveerd toont een standerdmolen en dat blijft het type molen op het merk tot in de 20e eeuw. Als molens in de vroege 18e eeuw op de zijkant van pijpenkoppen komen te staan, zijn het ook weer de standerdmolens. Normaal is het volgende te zien:

Molen met drie in beeld gebrachte, semi-perspectivische wieken. De molen staat op een stenen opbouw met ronde poort, het molenhuis is van hout en heeft een rond raam in het midden. Het puntdak is belegd met lei of pannen. Als er details zijn aangebracht (en zichtbaar zijn gebleven) kijkt de molenaar uit het ronde raam, zit er een kat in de poort en zit er een vogel op het puntdak.

Op de tegenovergestelde zijden kunnen allerlei afbeeldingen staat, maar vaak is er een man (de molenaar?) zichtbaar, die een zak meel draagt.


Trechtervormige pijpenkop uit de periode 1730-1740. Op de linkerzijde staat een persoon die een zak draagt. Is het een knecht, die meel draagt? Of is het de molenaar zelf, met een zak graan? Het is in ieder geval iemand met een ontspannen houding, die niet gebukt lijkt te gaan onder het gewicht. Met grond onder de voeten, een jasje aan met flink wat knopen en een stevige bos krullen.

Op de rechterzijde staat de molen. De weergave ervan is geheel zoals bij de introductie is beschreven. De kat en de vogel ontbreken. Onder de molen staan de initialen KW. Deze zijn van Christiaan Wouters (1728-1755) uit Gorinchem (Lit. 11).

Rond de naden van de pijpenkop, voor en achter, staat een dubbele rij stippen (parels).


Trechtervormige pijpenkop uit de periode 1730-1740. Op de linkerzijde staat een leeuw in de Hollandse tuin. De voorstelling is zorgvuldig gegraveerd, met veel details. De leeuw draagt zijn speer met vrijheidshoed en wordt gekroond met een bladerkroon. Om de voorstelling lopen bloemenranken die aan de onderzijde verdwijnen in twee kruisende veren. Tussen de veren staat een kleine cirkel met een bloem er in.

Op de rechterzijde staat de molen. De weergave ervan is geheel zoals bij de introductie is beschreven. De kat en de vogel ontbreken. Ook om de molen lopen twee bloemenranken, die onderin samenkomen in een bladerkroon. Onder de kroon staan de initialen IOH. Het zijn de initialen van Jan Ophuijzen sr., een pijpenmaker uit Gorinchem die werkzaam was van 1730 tot 1785 (Lit. 11). Rond de naden van de pijpenkop, voor en achter, staat een dubbele rij stippen (parels).

Trechtervormige pijpenkop uit de periode 1730-1740. Hoewel deze pijpenkop niet zo mooi is als de bovenstaande (dat ligt voor het grootste gedeelte aan de slijtage van de mal van deze pijp) is de voorstelling en bewerking nagenoeg identiek. Het grootste verschil zit hem in de initialen. Dit keer staat er IDH boven de molen. Het zijn de initialen van Johannes de Hoog, die van 1714 tot 1744 in Gorinchem werkte (Lit. 11).

Ook deze trechtervormige pijpenkop uit de periode 1730-1740 is van een pijp van Johannes de Hoog. De voorstelling is ook weer in grote lijnen gelijk aan de bovenstaande pijpen. Dit keer zijn de voorstellingen van de linker- en rechterhelft omgedraaid, met de molen aan de linkerzijde.  De initialen IDH staan iets meer op lijn en de bloemen boven de molen zijn tulpen. Onder de molen staan geen veren meer, maar komen de bladertakken net als op de rechterhelft uit een bloem.


Trechtervormige Goudse pijpenkop uit de periode 1720-1730. Op de linkerzijde staat een theetafel met daarop drie kopjes thee, met een schotel er onder. Voor een ongeveer gelijkwaardige afbeelding: zie het hielmerk theetafel. Op de rechterzijde staat de molen met een kat in de poort. De voorstelling is redelijk versleten door de goed gebruikte persvorm.

Trechtervormige Goudse pijpenkop uit de periode 1720-1730. Op de linkerzijde staat een theetafel met daarop drie kopjes thee, met een schotel er onder.  Op de rechterzijde staat de molen met een kat in de poort. De tafel is minder scherp dan op de bovenstaande pijpenkop, maar de molen is scherper. De vorm van de pijp is waarschijnlijk dezelfde, maar in een andere periode van gebruik.


Fragmenten van trechtervormige pijpen uit de periode 1710-1740. De tegenoverliggende zijde ontbreekt en het is daarom onbekend wat er op heeft gestaan. Uit het raam van de eerste pijp kijkt duidelijk een molenaar, bij de tweede pijp zou het ook kunnen, maar de vorm is te versleten geweest om dat te kunnen bevestigen. De poort op de eerste pijp is leeg, bij de tweede pijp staat iets ongewoons, dat nog het meest lijkt op een fantasiewapen dat is gekroond.