Dubbelgezicht


Als de 18e eeuw aanbreekt, ontstaat er binnen de pijpenmakerij ineens een kleine liefde voor het uitbrengen van enkele figurale en opvallende gezichtspijpen. Vlaggendragers binnen dit modeverschijnsel waren Krijn Dirckszoon Veverloo en Jan Boot (Lit. 1). Zij maakten meerdere pijpen met een voor die tijd ongewoon uiterlijk. Krijn Dirckszoon Veverloo begon al in 1675 met pijpenmaken en Jan Boot in 1696. Terwijl de eerstgenoemde pijpenmaker produceerde tot 1729 werkte Jan Arienszoon Boot tot 1744 (Lit. 2) Beide pijpenmakers merkten hun producten. Krijn Dirckszoon gebruikte het merk boom en zette zijn initialen KDV, Jan Arienszoon gebruikte het merk IB gekroond en zette zijn initialen IB (Lit. 2). Er zijn ook ongemerkte pijpen van dit type bekend, dus er is een bescheiden navolging geweest in de wereld van de concurrerende pijpenmakers.

Een bekend voorbeeld van de nieuwe figurale pijpen is het dubbelgezicht. Het is meestal lastig te achterhalen wie er nu echt mee is begonnen, maar Don Duco meent dat de pijpenkoppen van Krijn Dirckszoon Veverloo het eerst op de markt zijn gekomen (Lit. 1). Daarvoor gebruikt hij twee argumenten. Ten eerste is er een dubbelgezicht bekend met aan de linkerzijde de initialen KDV en rechts het jaartal 1703. Ten tweede bestaat er een model pijp in de vorm van een Turkenkop, met daarop de tekst: 'Krijn Dirkse Vormmaker'. Krijn was dus naast pijpenmaker ook vormmaker, wat inhield dat hij zelf de mallen van de pijpenkoppen ontwierp. Een gelijkend exemplaar van deze Turkenkop is er overigens niet. Uit de twee modellen kun je deduceren dat Krijn zelf modellen bedacht en dat hij daar al vroeg in de 18e eeuw mee begon.


Dubbelgezicht uit de periode 1705-1725. Op deze standaard uitvoering staan geen initialen. De details zijn ook al wat versleten door het regelmatige gebruik van de persvorm. De bovenste vier foto's geven de normale aanzichten weer, de vier gelijke foto's daar onder zijn ingezoomd en gedetailleerder.  Naar de roker toe kijkt een mannengezicht. Het gaat om een man met een grote snor, krullend haar en een hoofdband of de band van een hoofddeksel. De band is versierd met cirkels. Op de zijden van de pijpenkop lopen de krullen van de man over in de krullen van het vrouwengezicht op de andere kant van de pijpenkop. De vrouw heeft een eenvoudig vormgegeven gelaat en lokken op haar voorhoofd die uit een knop komen. Op de halzen is te zien dat de man parelvormige oorbellen draagt en de vrouw een parelketting. Onder het gezicht van de vrouw is een klein borststuk geplaatst dat de aanzet is van de steel. De onderzijde is onbewerkt en met een kamstreek is de persnaad verwijderd. Boven de krullen aan weerszijden is een ruimte over, die is opgevuld met drie bloemen, waarvan de middelste een tulp is, met steel en blad.