Naar aanleiding van het artikel van Bert van der Lingen, dat in juli 2010 verscheen in het kwartaalblad van de PKN, nummer 129, jaargang 33, blz 2268-2275.
Het heeft tot 2010 geduurd voordat we begrepen wat of wie er nu eigenlijk bedoeld werd op die vreemde pijpenkoppen waar 'JAN ONZIN' op werd geschreven. In het meest eenvoudige geval is dit ook alle tekst die er is te lezen, terwijl de Jan Onzin zelf op de andere kant staat afgebeeld tussen bloemenranken, met iets dat onherkenbaar is in zijn hand. Een tweede model pijp laat al iets meer los. Er staat: HUUR EN VERHUURKANTOOR VAN JAN ONZIN op de rechterkant, terwijl links weer een persoon is afgebeeld. Deze persoon, gekleed in een kamerjas, heeft een aantal objecten om zich heen, zoals een bureau, een grootboek, een enveloppe, een zakje geld en een lijstje met 'HUUR' en een lijstje met 'VERHUUR'. Duidelijk is Jan Onzin iemand die zich bezighoudt met huur en verhuur, maar daarmee is alles gezegd. Totdat Bert van der Lingen in 2010, in nummer 129 van jaargang 33 van het kwartaalblad van de PKN, uit de doeken doet op wie hij is gestuit bij zijn onderzoek naar Jan Onzin.
Net als bij de Rotterdammer Lodewijk Pincoffs zijn er kleipijpen uitgebracht die in het licht staan van een nieuwswaardige kwestie die een fraudeur betreft. De persoon in kwestie is A. J. Onstee, een man die voorziet in personeel en daar veel advertenties voor plaatst. In die advertenties vraagt hij zowel om inschrijvingen als dat hij geschikt personeel aanbiedt. Hierdoor is hij niet alleen in Amsterdam, zijn woon en werkplaats, maar in heel Nederland bekend. Op het moment dat hij naar de beurs gaat blijkt zijn handelswijze nogal dubieus te zijn. Hoewel hij daar niet direct op te pakken is storen steeds meer mensen zich aan zijn zelfzuchtige gedrag en wordt hij van de beurs gegooid. Hij blijft daar toch steeds terugkomen en zeker in Amsterdam krijgt hij een slechte naam. Er wordt zelfs een toneelstuk geschreven over hem, waarbij vlak voor de uitvoering zijn naam in de titel wordt veranderd van Onstee naar 'Onzin'. Deze spotnaam blijft hem nagedragen worden. In Nederland blijken artikelen met de spotnaam Jan Onzin goed te verkopen, nadat het toneelstuk door het land is vertoond, en zo zijn ook de kleipijpen op de markt verschenen.
Eenvoudige pijp met een mosterdlepelmodel. Links staat een persoon met twee eikenbladen op zijn hoofd, en een gouden bril op, in pak, terwijl hij een geldbuidel (?) omhoog houdt. Om hem heen lopen bloemenranken. Rechts staat de tekst: JAN ONZIN met een kroon erboven. Ook aan deze kant van de pijpenkop staan bloemenranken. Op de steel van deze pijp heeft de naam van de pijpenmaker gestaan, Willem Wagenaar. De productieperiode van de pijpen ligt tussen 1861 en 1870. Deze gegevens zijn ontleend aan het artikel van Bert van der Lingen.
Nogmaals een mosterdlepelmodel pijp met Jan Onzin als thema. De details zijn dit keer beter uitgewerkt. Links staat een man in kamerjas, met bril, tussen een aantal attributen. Rechts van hem staat een bureau met een inktpot, links van hem zweeft een grootboek (met de tekst GROOTBOEK). Naast zijn hoofd hangen twee lijsten, één waarin HUUR en één waarin VERHUUR staat geschreven. In zijn handen houdt hij een buidel met geld en een enveloppe met documenten. Om de voorstelling lopen eikentakken. Rechts staat weer een tekst, dit keer: HUUR EN VERHUURKANTOOR VAN JAN ONZIN. Onder deze tekst staat een kroon tussen loof, ook lopen er weer eikentakken om de voorstelling.
Ovaalvormige pijpenkop met aan twee zijden tekst. Op de linkerkant staat: HET HUUR EN VERHUUR KANTOOR en op de rechterkant staat: VAN JAN ONZIN. Het oppervlak van de pijp is bijna helemaal versierd met eikenbladranken en bloemen. De pijp is gemerkt met GN gekroond en gemaakt door Frans Simon Sparnaay. De pijp die in het artikel is gebruikt is dezelfde pijp die hier wordt afgebeeld; ik kocht de pijp twee jaar later van Freek Mayenburg.







