Willem Begeer, fabriquer in gouda

Een pijpenstort uit de Vroege 19e eeuw


Zoals zijn tijdgenoten had Willem Hermanusz. Begeer zorgen om de teruglopende belangstelling voor kleipijpen uit Gouda in de eerste decennia van de 19e eeuw. Dat was weliswaar al aan de gang sinds het midden van de 18e eeuw, maar de kortstondige overheersing van Nederland door Napoleon, van 1795 tot 1813, had het proces in een stroomversnelling gebracht. De eerste gedachte na de val van Napoleon was dan ook om de oude waarden weer snel in ere te herstellen. Ondanks het verlangen naar het oude zette de vooruitgang zich voort en nam de waarde van het belangrijkste Goudse exportproduct uit die tijd steeds verder af.

 

Willem Begeer kwam uit een geslacht van pijpenmakers die al vanaf de eerste jaren van de 18e eeuw actief waren. Ze hadden de gouden jaren in het midden van die eeuw bewust meegemaakt en het bedrijf en de merkenrechten die Willem uiteindelijk erfde gaven hem de mogelijkheid om met een aanzienlijk bedrijf van start te gaan. Hij begon daarmee in 1798 en zou actief blijven tot 1844. Daarna neemt één van zijn zoons het bedrijf over.
In deze periode maakte hij gebruik van vier merken. Dit waren 'vos op zijn gat', '(tap)kraan', 'B gekroond' en '53 gekroond'.

Voor zover wij weten heeft hij deze merken niet allemaal tegelijk kunnen zetten. De vos op zijn gat was het merk waar hij in 1798 mee begon en in 1818 kon hij daar de kraan aan toevoegen. Beide merken komen uit de familie. In 1827 gebeurt er iets merkwaardigs. Hij stopt met het gebruik van beide merken. De kraan wordt vanaf dat moment door niemand meer gezet en de vos op zijn gat wordt door zijn zoon Hermanus overgenomen en gezet tot 1866.

In plaats daarvan gaat Willem vanaf 1827 verder met de merken B gekroond en 53 gekroond. Hoewel het merk B gekroond een zekere naamsbekendheid geniet kan hij niet helemaal gelukkig zijn geweest met zijn keuze, want al snel blijkt zijn merk succesvol te worden gekopieerd in Alphen aan de Rijn en vele pogingen via rechtszaken ten spijt blijkt hier in deze tijden weinig meer aan te doen. Het kan de reden zijn geweest dat Willem na vijf jaar stopt met het gebruiken van dit merk. 53 gekroond gebruikt hij wel tot hij in 1844 stopt. De reeks data die aan deze merken hangt is interessant omdat de hier onder beschreven stort er mee gedateerd kan worden.

De vier merken van Willem Begeer: vos op z'n gat, kraan, B gekroond en 53 gekroond.

In 2013 wordt er nieuwbouw gepland tussen de Hoge Gouwe en de Raam en voorafgaand aan de bouw vindt er kleinschalig archeologisch onderzoek plaats. Aan de kant van de Raam blijken de funderingen en opslagkelders van een 19e eeuwse zeepfabriek te zitten, aan de kant van de Hoge Gouwe bevinden zich enkele muren en plavuizen vloeren van achttiende eeuwse bebouwing. Op één van deze vloeren ligt een pijpenstort tussen het opvulzand. Dit pijpenmakersafval blijkt van Willem Begeer afkomstig te zijn.  


Datering van de stort

Uit onderzoek blijkt dat de stort achter één van de panden ligt die in het bezit zijn geweest van Willem Begeer. De pijpenmakerij zit er vlakbij.  De pijpenkoppen zijn afkomstig uit de eerste helft van de 19e eeuw, met een focus op de eerste kwart. Op verschillende stukken gedecoreerde steel komt de naam Willem Begeer voor en alle vier merken die hij heeft gezet komen in de stort terug. Dat is interessant omdat hij ze niet alle vier tegelijk gebruikt heeft. Er zijn een paar mogelijke verklaringen voor te vinden.

 

Een pijpenstort bestaat gemiddeld uit enkele honderden tot enkele duizenden stukken kleipijp, met uitschieters naar boven en naar beneden. Er van uitgegaan dat pijpen met productiefouten ongeveer tien procent van de totale productie uitmaken, is een enkele pijpenstort meestal niet de enige stort van een pijpenmaker. In het geval van Willem Begeer zou de stort gemakkelijk het resultaat van een jaarproductie kunnen zijn, misschien zelfs minder. De vraag is hoe de stort werd verzameld voordat er werd gestort. Als de pijpen waren gebakken werden ze in het bedrijf van de pijpenmaker gesorteerd op goed gebakken pijpen en misbaksels. De klei van de misbaksels kon niet meer worden hergebruikt en er moet ruimte voor tijdelijke opslag beschikbaar zijn geweest bij de meeste pijpenmakers om hun misbaksels in op te slaan.  Van daar uit werden de pijpen afgevoerd en vaak gebruikt als ophogings- of dempingsmateriaal. Hoe groot de voorraad misbaksels werd in de opslagruimte zal af hebben gehangen van de omvang van deze opslag en hoe regelmatig deze werd opgeschoond. Op die manier is het mogelijk dat de resten uit stort van meerdere jaren door elkaar raakt op de bewaarplaats.

 

Een andere theorie is dat pijpenmakers altijd een (klein) productieoverschot hebben van pijpen die niet meer verkocht zijn op het moment van het stoppen van zijn nering. Bij overdracht of overname komt dit materiaal in handen van de volgende pijpenmaker en die kan besluiten het materiaal niet meer aan de handel aan te bieden en weg te gooien. Ik heb dit wel gezien in storten waartussen pijpen zaten met op de steel nog de naam van de vorige pijpenmaker. Wat dan minder logisch lijkt is dat in het geval van de stort van Willem Begeer merken voorkomen die hij zeventien jaar eerder voor het laatst heeft gebruikt. De pijpenkoppen met deze merken er op waren van een algemeen niveau, geen exotische modellen.

 

De laatste optie is dat de informatie die we hebben weten te verkrijgen over het merkengebruik niet klopt. Die kans is erg klein. Merken vertegenwoordigden handelswaarde en het gebruik en bezit ervan werd nauwkeurig bijgehouden. Gerommel in de marge kwam wel eens voor, maar dan ging het vaak om een merk dat niet meer in omloop was en de meerwaarde van het zetten van zo'n merk was groter buiten Gouda. In het onderzoek naar merken heeft Don Duco in geval van twijfel een jaartal een marge gegeven of zelfs blanco gehouden, om de accuraatheid van zijn onderzoek zo hoog mogelijk te houden. Daarom ga ik er van uit dat de data die zijn gekoppeld aan de gebruiksduur van de merken door Willem Begeer overeenkomen met de werkelijkheid.

 

De meest waarschijnlijke reden dat alle vier de merken die Willem Begeer heeft gezet in één stort voorkomen is dat de pijpen afkomstig zijn uit een tussentijdse opslag.  Het merk dat meest aanwezig is in de stort is de B gekroond.  De vos op zijn gat komt dan nog een aantal keer voor, de 53 gekroond al weer wat minder en de kraan is maar een paar keer geteld. Los van de merken is er nog een ouderdom bepalende factor aanwezig, in de vorm van twee memorerende  pijpenkoppen. Het betreft pijpen die gemaakt zijn ter ere van wapenfeiten uit 1831 en 1832.


Tekstlinten: J.C.J. VAN SPEYK, 5 FEBR 1831, merk 53 gekroond

De eerste pijp herdenkt het moedwillig opblazen van een eigen kanonneerboot door de commandant Jan van Speijk, tijdens de Belgische opstand. Dit gebeurde op 5 februari 1831. Deze opoffering werd gezien als een ultiem staaltje vaderlandsliefde. De pijp is voorzien van twee medaillons, met daarop afbeeldingen van een ontploffende boot aan de ene kant en een 'actieportret' van Jan van Speijk aan de andere kant. De datum, 5 februari 1831, wordt op een tekstlint vermeld. Gezien de actualiteitswaarde zal de pijp niet lang na dit voorval zijn ontworpen.

Tekstlinten: Z:H: DE BARON CHASSE, CIT VAN ANTWERPEN, merk afgebroken.

De tweede pijp herdenkt de val van de Citadel van Antwerpen, tijdens diezelfde Belgische opstand. Na een beleg door Franse troepen valt deze door Nederlanders bewaakte dwangburcht in december 1832. De Hollandse held van dienst is de generaal David Hendrik Chassé. De pijp die dit wapenfeit herdenkt is identiek aan de eerste pijp in basisontwerp. Ook hier wordt in twee medaillons afgebeeld waar en om wie het gaat.  Links staat de heer Chassé tussen mortieren, rechts is de Citadel van Antwerpen in beeld, terwijl het er van langs krijgt door mortiervuur. Ook deze pijp zal vanwege de actuele waarde niet lang na deze gebeurtenis zijn gemaakt.

 

Overigens is het gebruik van het vlak, binnen de medaillons, opvallend bij deze pijpen.  Het is de eerste en laatste keer dat een groot tafereel met veel open ruimte en lucht in reliëf op een pijpenkop wordt afgebeeld. De lucht boven de citadel en de rookwolken van het ontploffende schip zijn gemodelleerd en niet gegraveerd, waardoor een duidelijke vormgeving ontbreekt. In plaats van de standaard techniek op reliëfpijpen, waarbij alles twee dimensionaal op het vlak staat getekend, zijn de lucht en de rookwolken als drie dimensionale objecten, die niet zijn gekaderd met lijnen. De rookwolken komen er nog het beste af, als een geglooide structuur, maar de lucht is gewoon vlak.  Naarmate de voorstelling door slijtage aan de mal vager wordt, wordt de voorstelling steeds abstracter en het ontwerp is daarom zwak te noemen.

 

Uit bovenstaande gegevens over de periode van merkgebruik en de twee gedateerde vormen zou je voorzichtig kunnen destilleren dat de stort bestaat uit pijpen die zijn gemaakt rond de periode van het gebruik van het merk B gekroond, van 1827 tot 1832, met wat pijpen ertussen van de periode daarvoor. De pijpen gewijd aan de Belgische opstand zijn afkomstig uit een nog scherpe mal en zullen niet lang na het verschijnen ervan zijn gemaakt. 

Deze periode, die dus ongeveer vijf jaar zal beslaan, geeft een overzicht van het belangrijkste deel van het assortiment van een van de grotere pijpmakers net na de eerste kwart van de 19e eeuw.  Naast een gevarieerd aanbod aan standaard ovale pijpen zijn er een paar opvallende veranderingen, die de opmars naar de soortenrijkdom vanaf het midden van de 19e eeuw inluiden.


Verschillende typen

In de stort komen een aantal verschillende modellen kleipijpen voor en dankzij de merken zijn deze qua periode in voor en na 1827 in te delen. 

 

1. Modellen uit stort van Begeer met de merken vos op zijn gat en kraan, uit de eerste kwart van de 19e eeuw (tot 1827)


1. Ovale pijpen met de vos op z'n gat als merk. De eerste is nog niet van het nieuwe, overbelaste type en heeft ook als enige nog een S boven het bijmerk. Het is daarmee waarschijnlijk de vroegste pijp uit de stort (de periode rond de eeuwwisseling). De eerste pijp is ook wat kleiner dan de overige drie en is ongeveer 5 cm hoog, in plaats van 6 cm. Bij de middelste twee modellen is de hiel schuin afgesneden.

2. Klein model kromkop pijp (gemiddeld 3,5 cm hoog). Het volume van deze pijpen wijst op een ander tabaksgebruik. Ik ga er van uit dat het om een vroeg soort 'shagpijpen' gaat. De term bestond toen nog niet, maar er waren wel verschillende tabakssoorten beschikbaar en deze relatief kleine pijpen (voor hun tijd) zullen zijn gemaakt voor dit nieuwe en andere tabaksaanbod. Het model wordt de hele 19e eeuw lang aangeboden, terwijl het in de 18e eeuw nooit als standaardproduct is gemaakt. Ook hier hebben de vroegste versies nog een S boven het bijmerk.

3. Mercurius en Neptunus pijp. Deze voorstelling op gedecoreerde pijpen wordt pas sinds de eerste kwart van de 19e eeuw toegepast. Er bestaan erg veel varianten van, bijna ieder zichzelf respecterende pijpenmaker zal een eigen versie op de markt hebben gebracht. Daarnaast blijft de voorstelling tot in de 20e eeuw (door Goedewaagen) gemaakt worden. Deze versie, met een S boven het bijmerk, is nog van de eerste lichting. De neoclassicistische thematiek refereerde aan voorspoed in de (overzeese)handel. Na de Franse overheersing, in 1813, waren de handelsbeperkingen voorbij en was er een grote wens de eigen welvarendheid weer op te kunnen pakken (niet op de laatste plaats bij pijpenexporteurs). De verschillende pijpen met een hier aan gerelateerd thema zullen niet lang na 1813 voor het eerst zijn gemaakt.

4. Reliëfpijp in 18e eeuwse stijl. Naar de roker toe staat een gekroond wapenschild, gedragen door een leeuw en een eenhoorn. Tekstlinten: HONI SOIT QUI MAL Y PENSE (orde van de kouseband) en DIEU ET MON DROIT. Ondanks deze Franse spreuken heeft de pijp niets met Frankrijk te maken. Het wapenschild, inclusief bijbehorende heraldiek en gebruikte tekst, is van Engeland. Het wapenschil in het midden, met in drie vakken leeuwen, is van het huis van Oranje. Aan de andere kant van de pijp staat het gekroonde wapenschild van Gouda, met doornentakken er om heen.

5. Reliëfpijp in 18e eeuwse stijl. Het gekroonde wapenschild, gedragen door twee wegkijkende Hollandse leeuwen, is van Gouda. Dit wapen, met zes sterren, is omgeven door een doornenkrans en een rondschrift met als tekst: PER ASPERA AD ASTRA. Dit is de wapenspreuk van Gouda en de vertaling is 'Via problemen naar de sterren'. De symbolische weergave van problemen is de doornenkrans, de uitdrukking betekent dat men er ondanks tegenslag in slaagt de beoogde doelen te bereiken. (Luctor et emergo is er één in dezelfde categorie).

Opvallend is dat het tweede wapen op deze pijp het wapen van Bremen is.  Voor de plaatsing van dit wapen, die secundair is (Bij het wapen van Gouda), heb ik niet direct verklaring. Don Duco heeft op zijn museale site een afbeelding van een vignet staan met het wapen van Bremen er op, dat is gebruikt voor de Stoom-Tabaksfabriek 'Het Wapen van Bremen', met als datering 1800 - 1900. Er zou een verband kunnen zijn en dan is het schild geplaatst als reclame uiting voor deze fabriek.  Meer dan een aanname is dit echter niet. Een andere optie is dat deze pijp is gemaakt als exportpijp naar de betreffende stad, Bremen.


2. Modellen met de merken B gekroond en 53 gekroond, uit de tweede kwart van de 19e eeuw (1827-1835)


1. 15 Ovale pijpenkoppen met als merk B gekroond en 53 gekroond. Opvallend is dat een viertal pijpenkoppen met het merk B gekroond nog een S boven het bijmerk hebben. De vijfde pijp, helemaal rechtsboven, heeft een klassiek gedetailleerd wapenschild als bijmerk, iets dat niet gewoon meer is in de 19e eeuw. Het bijmerk verliest steeds meer betekenis en er wordt daarom niet veel aandacht meer aan besteed. Don Duco meldt in Merken en merkenrecht (2003) dat Willem Begeer in de clinch ligt met een Alphense vervalser die de B gekroond is gaan gebruiken, maar hij heeft moeite zijn gelijk te behalen, ondanks regels als het Goudse bijmerk. Misschien is dit er een afspiegeling van?

2. Klein kromkop model van ongeveer 2,5 cm hoog. Net zoals bij andere kleine pijpen is dit model gemaakt voor aangepast tabaksgebruik. Bij deze hele kleine koppen kun je denken aan het proeven van exclusieve tabakssoorten, zoals ook in de voorgaande eeuwen een gebruik was. Deze eeuw komt echter de sigaar als alternatief rookmiddel sterk op, en worden er pijpen gemaakt waarin het stompje kan worden opgerookt. Dit zijn zogenaamde sigarenpijpen en dit zijn waarschijnlijk vroege voorbeelden ervan.

3. Kromkop model van iets minder dan 3,5 cm, zie ook het model van voor 1827.

4. Ook kleine kromkoppen, maar met een ander model.

5. Eenzelfde maat kromkop met een spoor en het merk op de kop. Een derivaat van het 18e eeuwse 'model 6'.

6. Weer iets groter zijn deze 4 cm hoge ovale pijpen.

7. Peter Dorni pijpen in wit en zwart uitgevoerd. Hoewel vroegere uitvoeringen bekend zijn (ze worden van begin 1800 door Goudse pijpenmakers gemaakt als reactie op Duitse import) is het aardig om te zien dat hier al de naam Peter Dorni op gezet staat. Andere vroege versies zijn vaak nog voorzien van de naam van Goudse pijpenmakers (Pieter Sibbes, Jan & Gerrit Prince).

Ook de techniek van reducerend bakken (zwarte pijpen maken) is hier nog erg nieuw. Een teken dat Willem Begeer naar nieuwe wegen zocht om zijn product af te zetten.

8. Lobbenpijp in 18e eeuwse stijl. Een van de meest klassieke versieringstypen van de Goudse nijverheid. Halverwege de 18e eeuw werd deze uitvoering bedacht en sindsdien is hij niet meer verdwenen. Op de foto waar mijn vingers op staan is te zien wat het effect is van het te hard plaatsen van het merk, een probleem bij het op de zijkant van de kop plaatsen van een stempel.

De afsluiting van de lobbenversiering, die doorloopt over de steel, is een borduurwerk dat ook is overgenomen van het klassieke 18e eeuwse voorbeeld (zie foto rechtsboven).

9. Bruidspijp. Ook de bruidspijp verschijnt pas in de 19e eeuw. Door de 18e eeuwse uitstraling van de pijp willen verzamelaars zich nog wel eens vergissen, maar het thema past in de lijn van voorspoed en eendracht en trouw, zoals die in de 19e eeuw wordt geïntroduceerd. Bij de bestudering van dit type pijp blijkt ook telkens dat de pijp in kwestie 19e eeuws (of jonger) is.

10 en 11. De hierboven beschreven pijpen met de Belgische opstand als thema.


Wat opvalt als je de pijpenkoppen van voor en na 1827 vergelijkt, is dat er na de eerste kwart van de 19e eeuw voor het eerst een differentiatie optreedt in het modellen aanbod. De ovale pijp is wezenlijk niet veranderd van vorm en blijft onverminderd de belangrijkste pijp in het aanbod. Het aanbod aan kleinere pijpen neemt na 1827 toe.  Met de toevoeging van het Peter Dorni model wordt het aanbod ook iets minder klassiek. Waar in de eerste kwart van de 19e eeuw nog wordt vastgehouden aan tradities, inclusief versieringstypen en thema's, begint in de tweede kwart langzaam de zoektocht naar het vasthouden van de veranderende rokersmarkt op gang te komen. 


Geraadpleegde literatuur:

Don Duco, 2003, Merken en merkenrecht van de pijpenmakers in Gouda