pijpenkoppen en hun ouderdom

1. Chronologie op basis van vorm

indeling in modellen


Een kleipijp werd gemaakt door klei in een messingen mal te persen. Het uiterlijk, of de vorm van een pijp, is dus het resultaat van hoe het ontwerp van de pijp in de mal is aangebracht. Daarom hebben we het ook wel over een 'vormdatum'. Dit is de vroegst mogelijke datering, of begintijdstip, van een pijpenvorm.

 

Om tot een determinatie te komen is de vorm van een pijp bepalend. deze vorm is het gemakkelijkst te herkennen aan de kop van een pijp. De pijp kreeg niet alleen een vorm aangemeten uit praktische overwegingen, maar er werd ook op stijl gelet, de uitstraling die een pijp moest hebben. Deze uitstraling veranderde door de jaren op basis van trend en een toename van tabaksgebruik. De kop kon groter, maar dat bracht vormtechnische uitdagingen met zich mee. Al vroeg in de jaren '80 van de 20e eeuw ontcijferde Don Duco de ontwikkeling in pijpenvormen en wist er een typering aan te hangen. Deze typering is als volgt:


1580-1615

1610-1700

1680-1745

1735-1960



1730-1960

1730-1940

1730-1770


In de vroegste periode van het tabakroken is er nog geen vastomlijnd idee over hoe een tabakspijp er uit moet zien, los van de basale vorm. Er is nog geen standaard en dat is terug te zien aan de pijpen uit deze periode, die ik typering '0' heb meegegeven, omdat de eerste vormgroep al model 1 heet.

Don maakt onderscheid in drie standaard typen en nog twee basistypen pijp, de kromkop als type 4 en de rondbodem als type 5. Het zesde type pijp heb ik zelf eind 2017 toegevoegd. De kromkop en de rondbodem worden rond 1730 ontwikkeld en worden tot in de 20e eeuw naast de andere bestaande vormen als variant aangeboden. Model zes heeft een korte levensduur. De ontwikkeling komt gelijk met type 4 en 5, maar het model verliest zijn waarde snel weer en lijkt na 1770 niet meer gemaakt te worden. 

In de tweede helft van de 19e eeuw, de periode van vormvrijheid, worden er wel weer pijpen aangeboden die in grote lijnen lijken op model zes, maar niet voldoende om ze onder deze noemer te scharen.


In de bovenstaande typering valt op dat er een overlap is tussen de verschillende vormen. Dat wil zeggen dat terwijl van de oude modellen nog een tijd gebruik wordt gemaakt van de mallen voor de eenvoudiger typen pijp, die goedkoper waren en minder aan trends hoefden te voldoen, de nieuwe vormen op de markt kwamen. Het totale vormen aanbod wordt ook steeds breder.

 

De dubbelconische kop kent een begin- en een eindvorm. De kop wordt ontworpen met een lage, gedrongen vorm, maar door de toename van tabaksgebruik per rookbeurt wordt de kop langzaam hoger en krijgt een langwerpig uiterlijk. Dit zet zich voort tot de trechtervorm wordt ontworpen.

 

De trechtervorm heeft een relatief korte levensduur en technisch verandert er weinig aan de vorm van de pijpenkop. Wel neemt het volume van de ketelwanden en de steeldikte af.

 

De ovale pijpenkop bestaat meer dan 200 jaar en is zonder extra kennis een lastige vorm om tot een scherpe determinatie mee te komen. Toch is ook hier sprake van een vormevolutie. Zo ontstaat na 1800 de overbelaste ovalen kop. Dit is een term die Don Duco heeft gegeven aan de volumetoename van de ovale pijpenkop, die ervoor zorgt dat de pijp boller wordt en daarom 'als een te groot hoofd op een te dunne nek' op de steel komt te staan.


Om periodes globaal aan te kunnen geven met een illustratie gebruik ik op deze site het onderstaande systeem:

 

Dubbelconisch model, 1610-1650

De afbeelding is een schematische reproductie van een pijpenkop uit 1625-1635

Bijbehorende 1. linksonder staat voor basistype 1.

 

 

 

Dubbelconisch model, 1650-1700

De afbeelding is een schematische reproductie van een pijpenkop uit 1675-1685

 

 

 

 

Trechtervormig model, trechter of trechterpijp. 1690-1740

De afbeelding is een schematische reproductie van een pijpenkop uit 1725-1735

Bijbehorende 2. linksonder staat voor basistype 2.

 

 

 

 

Ovaal model, ovale pijp, 1730-1750

De pijp is slank, symmetrisch en dunwandig.

Vanaf 1740 wordt het Goudse wapen (met en zonder een S) op de zijkant van de hiel gezet.

 

 

 

Ovale pijp, 1750-1775

De pijp is wat steviger en vaak wat groter dan de vorige generatie ovale pijpen. De ketelwanden hebben iets meer bolling gekregen. Het Goudse wapen is vaak duidelijk en groot op de zijkant(en) van de hiel gezet.

Bijbehorende 3. linksonder staat voor basistype 3.

 

 

Ovale pijp, 1775-1800

De afbeelding is een schematische reproductie van een pijpenkop uit 1775-1785.

De kop is nog iets steviger geworden. Hierdoor ontstaat een gedrongen vorm, de pijp lijkt in de lengte wat in elkaar geperst. De hiel is daarbij kort gehouden.

Een aantal kleine vormvarianten op de vorige generatie pijpen blijft bestaan, soms moeilijk herkenbaar. Belangrijk detail: de kwaliteit neemt af en de afwerking wordt daarbij overall slordiger.

Overbelaste ovale pijp, 1800-1960

Andere kenmerken: griplijnen op de steel direct achter de kop, vanaf 1800

Plaatsen van de S en het belang van het bijmerk op de hielzijde vervalt rond 1840.

Blijvende achteruitgang kwaliteit, centralisatie pijpenproductie bij enkele grote bedrijven.

 

 

Vanaf 1840-1850: vrijheid van vorm. Behalve alle voorgenoemde klassieke vormen ontstaat er een grote expressieve vormenrijkdom met veel nieuwe typen.



Kromkop, 1730-1960

De afbeelding is een schematische reproductie van een pijpenkop uit 1750-1760.

Na 1800 gaat de kromkop in een hoek van 90 graden op de steel staan.

Bijbehorende 4. linksonder staat voor basistype 4.

 

 

 

 

 

Rondbodem, 1730-1940

De afbeelding is een schematische reproductie van een pijpenkop uit 1750-1760.

Net als de kromkop is de rondbodem ontstaan na de vraag naar dit type bij productie voor de export. De algemene vorm verandert na 1800 pas iets.

Bijbehorende 5. linksonder staat voor basistype 5.

 

Model zes, 1730-1770

Deze pijp heeft een onopvallend, ovaal uiterlijk, maar met het spoor en het merk naar de roker gestempeld is het een type dat korte tijd een eigen marktaandeel heeft gehad.