Dubbelconische pijpen, 1610-1700


Aan het begin van de 17e eeuw, tussen 1610 en 1620, kreeg de Nederlandse kleipijp haar eerste gestandaardiseerde vorm. Vrijwel alle pijpen die vanaf dat moment werden gemaakt, in alle Hollandse steden, door elke pijpenmaker, waren dubbelconisch van vorm. Wat zoveel wil zeggen als: de pijpenkop werd vanaf de opening breder, tot een breedste punt, van waar af de kop weer smaller werd, tot aan de steel.

In de vroegste vorm is dit het sterkst zichtbaar. Later wordt de pijpenkop hoger (om de ketel meer inhoud te geven) en dan wordt de dubbelconische vorm minder duidelijk. Toch verandert de vorm visueel pas echt aan het einde van de 17e eeuw, als het trechtermodel pijp op de markt komt.

 

Sub-indeling

Omdat pijpenmakers al in het vroegste stadium voor een differentiatie van producten zorgden (voor elk wat wils), zijn er binnen elke hoofdvorm allerlei subvormen te vinden. De belangrijkste scheiding van de hoofdvorm is te vinden in de bewerking:

1. Eenvoudige afwerking en een korte steel

2. Net iets beter afgewerkt en gemerkt, iets langere steel. een soort tussencategorie

3. Hoogwaardig afgewerkt en een lange steel. De hoogwaardige afwerking bestaat vooral uit het zogenaamde 'glazen'.

4. Met decoratie (reliëf of figuraal). In deze groep zijn allerlei kwaliteitsverschillen.

 

1. Eenvoudige afwerking (goedkope pijpen)

De goedkoopste pijpen zijn het eenvoudigst afgewerkt. Ze zijn met de grootste snelheid gemaakt en daarom erg betaalbaar gebleven. Een (prestige)merk van een maker ontbreekt. De steel is vaak kort gelaten. Dat is makkelijker om te maken, maar minder lekker om uit te roken.

 

2. De tussencategorie pijpen

Dit zijn pijpen met een iets hogere afwerkingsgraad dan de eerste groep en mogelijk een iets langere steel. Ze zijn in elk geval wel van een merk voorzien. Soms zijn deze pijpen zelfs geglaasd, maar dan niet met agaatsteen, omdat de pijpenmaker het geld niet had om aan dit product te komen. Hoewel de afwerking dan wel hoogwaardig is mist de pijp vaak net het professionele karakter van de dure pijp.

 

3. Hoogwaardige afwerking (dure pijpen)

De hoogwaardig afgewerkte pijpen zijn de luxe pijpen. Ze dragen alle tekenen van een grote zorg. Zo waren de stelen van deze pijpen het langst, werd hun oppervlak (vrijwel) helemaal geglaasd  en zijn ze bijna zonder uitzondering gemerkt. Deze pijpen waren ook het meest modieus en liepen voorop in de ontwikkeling naar nieuwe vormen. Voor de datering van pijpen is dat zelfs een belangrijk gegeven.

 

3. Met decoratie

Gedecoreerde pijpen konden door hun decoratie niet maximaal afgewerkt worden. Je kunt een decoratie niet glazen. Qua categorie vallen ze dan ook tussen goedkoop en duur in, hoewel er flinke verschillen zijn tussen eenvoudige decoratie of nauwkeurig gegraveerde pronkstukken. Ook de mate van slijtage zegt iets over de kwaliteit, omdat na een flink aantal persingen de scherpte behoorlijk inboet en de voorstelling zijn meerwaarde verliest.

Gedecoreerde pijpen zijn logischerwijs aantrekkelijker om te zien, er valt meer aan te ontdekken. De decoratie droeg soms een boodschap uit, zoals het vieren van het huwelijk van een koningshuis, maar vaak was een floraal motief of een eenvoudige voorstelling voldoende om de aandacht van de koper te krijgen.


De ontwikkeling van het dubbelconische model

Qua ontwikkeling liepen de hoogste kwaliteit pijpen voorop en volgden de pijpen van lagere kwaliteit. Vaak werden voor de slechtere pijpen de versleten mallen van de al iets uit de mode geraakte hoogste kwaliteit gebruikt en zodoende zijn ze iets lastiger te determineren, want ze hebben met dezelfde vorm een langere looptijd gehad.

 

De dubbelconische pijp heet zo naar de vorm van de pijpenkop (dat is bij alle pijpen zo). Zoals op de foto en de tekeningen te zien is, heeft de kop van opzij gezien een knik aan de voorkant en de achterkant (de voorkant is de kant waar je als roker naar toe kijkt). Aan het begin van de 17e eeuw is die knik heel duidelijk, want de inhoud van de pijpenkoppen is nog niet zo groot. Tabak is nog niet erg voorradig en dus duur.  De ketel, de binnenkant van de pijpenkop, is ongeveer vergelijkbaar met een brede potloodpunt.

 

Naarmate de jaren vorderen komt er in de pijpenkoppen meer ruimte vrij voor tabak, dat gaat langzaam maar je ziet de pijpenkoppen hoger worden. Omdat ze vooral de hoogte in gaan en niet breder worden, zie je dat de dubbelconische knik steeds langer wordt en minder sterk uitsteekt. Dit gaat zo door totdat de groeimogelijkheden van de dubbelconische kop op zijn en daarom wordt er naar een oplossing gezocht. In Gouda wordt dan de trechterpijp uitgevonden, rond 1680. Er is nog even een overlap van de twee modellen naast elkaar, maar vanaf 1700 is elke pijp wel trechtervormig.