Model zes

Een herinterpretatie van de tot nu toe vastgestelde basismodellen


Goede kwaliteit ovale pijp met spoor.  De streep geeft de locatie van het merk op de kop aan.

Onderzoek naar kleipijpen

1942. Bij uitgeverij Atlantic, gevestigd te Amsterdam, verschijnt het boek 'Goudsche pijpen, de merken en het merkenrecht van de pijpmakers te Gouda'. Het is gedrukt in Gouda en geschreven door G.C. Helbers en D.A. Goedewaagen. Helbers was destijds conservator van de Stedelijke Musea te Gouda en Goedewaagen was directeur van Goedewaagen's Koninklijke Hollandse Pijpen- en Aardewerkfabrieken.

De fabriek van Goedewaagen, in het kort, was de laatste Goudse industrie die zich nog specialiseerde in het maken van pijpaarden rookartikelen. Een oude traditie stond op het punt van verdwijnen. Bewust van dat gegeven en geïntrigeerd door een flinke verzameling clichés in het museum, die werden gebruikt om het verpakkingsmateriaal van kleipijpen van een reclameopdruk te voorzien, schrijven Helbers en Goedewaagen een boek  dat zich vooral richt op het merk en merkenrecht van de Goudse pijpenmakers. Na een algemene introductie over de geschiedenis van het vak wordt een groot aantal van de clichés afgebeeld en voorzien van relevante, merkgebonden informatie. Over kleipijpen zelf wordt nog weinig geschreven.

 

1957. Gefascineerd door kleipijpen als bodemvondsten begint F.H.W.  Friederich een onderzoek naar kleipijpen en hij benadert ze officieel als eerste vanuit het gezichtspunt van een archeologische bodemvondst. Hij kijkt naar vorm en verscheidenheid en ontwikkelt een eerste determinatiesysteem. Hierbij gaat hij uit van een berekening van de ketelinhoud en stelt het principe 'hoe kleiner hoe ouder in', een inmiddels lang achterhaalde theorie die tot de dag van vandaag hardnekkig stand houdt. Hij publiceert zijn onderzoek in een monografie bij de A.W.N., de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland, in 1975. Als het uitkomt is hij inmiddels zelf overleden.

 

1987. Na een aantal jaar diepgravend onderzoek te hebben gedaan naar de diverse facetten van kleipijpen als archeologisch object brengt Don Duco het standaardwerk 'De Nederlandse kleipijp, handboek voor dateren en determineren' uit. Op het moment van schrijven, na ruim dertig jaar, staat dit boek nog altijd als een dijk overeind. Het is bruikbaar voor de beginnende en gevorderde onderzoeker en rekent niet alleen af met oudere aannames, maar komt met nieuwe strategieën die tot op heden foutloos blijken. De kennis die we in de tussentijd hebben opgedaan is niet zozeer veranderd, als wel verrijkt. Vanuit dit gezichtspunt wil ik een mogelijke toevoeging aan de tot nu gebruikte indeling in vijf basistypen pijp, zoals Don Duco in dit boek heeft opgesteld, onder de aandacht brengen.

 

De basismodellen

Binnen de vormontwikkeling van de Nederlandse kleipijp, die vanaf het einde van de 17e eeuw zeer sturend wordt bepaald vanuit Gouda, zijn tot op heden drie fases aan te duiden die eenvoudig chronologisch achter elkaar zijn te plaatsen. Deze vormen zijn door Don Duco ingedeeld in basismodellen met een begin- en einddatum van de looptijd. De eerste vorm, die na de eerste kwart van de 17e eeuw algemeen in Nederland werd toegepast, is de dubbelconisch gevormde pijpenkop.

De tweede vorm wordt in Gouda uitgevonden, als reactie op de toenemende inhoud van de ketel van de pijp. Om de pijpen niet klakkeloos met het volume mee te laten groeien, maar ook te blijven streven naar verfijndheid van vorm en uitstraling, ontstaat de trechtervormige pijpenkop. De Goudse pijpenindustrie viert hoogtij op dat moment en barst van het talent, dat elkaar de loef probeert af te steken. Zo ontstaat het derde en laatste basismodel, dat eerder voldoet aan volmaaktheid dan aan volumetoename, al blijk de vorm daar ook goed geschikt voor. Het is de pijp met de ovale kop. Met inachtneming van tijdsgebonden vormverschillen is dit model gebruikt tot aan 1960, als de laatste kleipijpen de fabriek verlaten.

 

Maar in de periode 1730-1740, als de eerste ovale pijpenkoppen op de nieuwste pijpen prijken, worden gelijktijdig met de tot dan toe gangbare pijpmodellen nog meer vormen ontwikkeld. Dit heeft alles te maken met de markt, die tot ver buiten de landsgrenzen reikt, en met de vraag naar diversiteit bij het inmiddels goed ingeburgerde tabaksroken.  Hoewel de soortenrijkdom conservatief is, dat wil zeggen dat bij de meeste afwijkingen de originele basisvorm herkenbaar blijft, onderscheidt Don nog twee duidelijke basismodellen en kadert daarmee de soortenrijkdom af. Het zijn, achtereenvolgens, de kromkop en de rondbodem.

De kromkop dankt zijn herkomst waarschijnlijk aan de vorm van Engelse kleipijpen. De Engelsen maken hun pijpen met ketels die meer naar de roker gericht staan, zodat de hoek tussen de kop en de steel kleiner wordt dan bij de Nederlandse pijpen. Als de Goudse pijpenmakers het model gaan namaken krijgt het een eigen, Hollandse vorm. Door de kleinere kop-steelhoek lijken de koppen 'krom' te staan, vergeleken met de in Nederland courante modellen.

De rondbodem is dan weer een reflectie op Duitse kleipijpen. Een populair Duits model dat in dezelfde periode nog al eens over de Nederlandse grens waait is een pijp met een niet al te lange steel, waarbij elke vorm van een hiel of spoor ontbreekt, vandaar de benaming rondbodem.  Deze twee aanvullingen op de drie basisvormen laten zich goed onderscheiden en indelen.

 

De zesde vorm

Natuurlijk is het een goede zaak om een dateringssysteem niet nodeloos ingewikkelder te maken. De vijf basismodellen van dit moment volstaan voor de huidige determinatiedoeleinden en welbeschouwd zijn er een paar ondersoorten die je na enige discussie in een groter licht zou kunnen plaatsen. Denk maar aan de dopmodellen, een categorie halfhoge ovale pijpenkoppen die door hun kortheid een eigen uitstraling hebben gekregen.  Toch zijn deze modellen goed in te delen als een deviatie op de ovale pijp en door hun klaarblijkelijk geringe oplage blijken ze uiteindelijk niet erg geschikt om ze als basisvorm op te nemen.

De vorm die ik voor ogen heb is een in eerste instantie weinig opvallende. Zonder meer zullen ze overal worden gedetermineerd als een versie van de ovale pijp. Maar hoe vaker ik ze tegenkom, des te meer ben ik er van overtuigd dat we te maken hebben met een extra basismodel.

 

De pijpenkop in kwestie is een goed afgewerkte ovaal. In plaats van een hiel is er een klein spoor geplaatst en daarom is het hielmerk, dat standaard wordt gezet op de pijpen van betere kwaliteit, op de zijkant van de ketel geplaatst, naar de roker toe. Het product straalt verfijndheid uit en komt in Goudse vondstcomplexen, niet zelden fabrieksstort, regelmatig voor.

Zo regelmatig zelfs dat wanneer er voor determinatiedoeleinden een indeling wordt gemaakt op kopsoorten, deze koppen gemakkelijk een eigen groep vormen. Hetzelfde resultaat krijg ik wanneer ik kijk naar mijn eigen referentiecollectie. Tussen de lade met kromkoppen en de lade met rondbodems zit een lade waarin dit model goed vertegenwoordigd is. Sterker nog, relatief zijn 18e eeuwse kromkoppen in de minderheid.

Wat ook opvalt, is het tijdsplaatje. De kromkop en de rondbodem werden samen met de ovale kop ontwikkeld in de eerste helft van de 18e eeuw en blijven gebruikt tot in de 20e eeuw. Het model dat ik nu onder de aandacht breng is een model dat in de jaren '60 van de 18e eeuw al weer verdwijnt. Als het dus tot een basismodel kan worden gerekend, heeft het ook een einddatum, zoals de trechterpijp ervoor.

 

Naamgeving en bestaansrecht

Oorspronkelijk hadden Goudse pijpenmakers namen voor de verschillende modellen in hun assortiment. Het zou mij ook niets verbazen als de naam van het model waar ik nu op doel tegenwoordig bekend is, door archiefonderzoek. Dat zou een hulpmiddel kunnen zijn bij de naamgeving aan deze vorm. Een naam puur gekoppeld aan de vormgeving namelijk, zou neerkomen op zoiets als 'gespoorde ovaal'. Het verwarrende is dan alleen dat de ovale pijp met spoor al bestaat als eenvoudige (zijmerk) pijp. En eenvoudig is nu net wat deze pijp niet is. Ovale pijp met spoor en stempelmerk is dan al toepasselijker. Deze naam is helaas vrij bewerkelijk en legt een zwakke plek bloot: de pijp is een afwijking van de ovaal en daarom niet basisvorm waardig. Het zal ook om deze reden zijn dat de pijp nooit als zelfstandige basisvorm is gecategoriseerd.

Maar ook al lijkt de pijp afgeleid van de ovaal, hij heeft een kenmerkende vorm meegekregen die tenminste een halve eeuw is geproduceerd en verspreid naast de bekende vijf modellen. Er was een markt voor dit product, zoals die er was voor de kromkop en de rondbodem, er werd bewust voor gekozen.

Tegenwoordig determineren we de vormen. We kijken naar de uiterlijke kenmerken en op basis van een deductief systeem geven we een datering aan de pijp. Dit zesde model maakt de mogelijkheden om tot een einddatering te komen iets gemakkelijker. Zeker wanneer uitgebreide kennis ontbreekt. Waar de ovaal, de rondbodem en de kromkop blijven voortbestaan tot in de twintigste eeuw, houdt deze vorm tussen 1760 en 1770 op te bestaan.

 

Dit model is, kortom, een basismodel. Dat is geen uitvinding of ontdekking, maar een keuze. Op basis van wat we nu weten over het modellenaanbod van de Goudse pijpmakers is het model exclusiever geweest dan de tot nu toe vijf bekende standaardmodellen, maar gangbaar genoeg om naast de kromkop en de rondbodem te worden opgenomen als basismodel zes. Nu alleen nog een goede naam.