Hoe zie je kwaliteitsverschillen?


In mijn vorige blog had ik het over kwaliteitsverschillen die je kunt zien als je een pijp wat beter bekijkt.  Tussen de slechtste en beste kwaliteit zit een duidelijk verschil, maar er zijn allemaal tussenstappen. Was de pijpenkop die je hebt gevonden nou voor een arm iemand of voor een rijke?

 

Allereerst is er een functioneel kwaliteitsverschil. Als je een kleipijp maakt met een korte steel, dan zorgt het gloeien van de tabak in de ketel voor hitte en scherpte, die op je keel slaat als je de rook naar binnen zuigt. Dus pijpen met een langere steel rookten lekkerder. Hoe langer de steel, hoe beter. Het nadeel is wel dat een pijp maken met een lange steel veel moeilijker is. Een lange steel vraagt om meer vaardigheid en de steel is kwetsbaarder tijdens het arbeidsproces. Er kan meer mee fout gaan.

Een tweede verschil is kwaliteit is het volume van de ketel, de grootte van de pijpenkop.  Dit verschil is meer gerelateerd aan de voorkeur van de roker dan aan de kwaliteit van het roken, maar er zijn tegelijkertijd meerdere groottes.


Als je een pijp vindt is vaak alleen de kop nog heel, of zelfs dat niet. Dan heb je niets aan de lengte van de steel om de kwaliteit te bepalen. Gelukkig vonden pijpenmakers al vanaf het begin van hun productiviteit het de moeite waard om pijpen mooier te maken. Waarschijnlijk kwam het omdat tabak oorspronkelijk werd geïntroduceerd als iets exclusiefs, het was tenslotte een genotsmiddel en geen levensbehoefte. Dus als een pijp voor rokers werd gemaakt die iets meer te besteden hadden en voor de pijpen met een langere steel kozen, dan zag zo'n pijp er ook beter afgewerkt uit.

 

Waar bestaat die afwerking eigenlijk uit? In Schoonhovense nabewerking kun je lezen over het wegsnijden van de vormnaden en het botteren van een pijpenkop, de aller-basaalste nabehandeling. Heel kort komt het er op neer dat de pijp in een persvorm wordt gemaakt en daar uit komt met kleirafeltjes op alle persnaden. Die worden natuurlijk weggehaald.

Om de pijp een mooi uiterlijk te geven zijn de volgende afwerkingsmogelijkheden van toepassing:

 

Het opwrijven met een vochtige doek van het oppervlak van de pijp. Hiervoor moet een pijp al iets gedroogd zijn. Pijpen staan vaak nog een tijd in een droogbak voordat ze definitief de oven in gaan. Het opwrijven van een pijp geeft een iets mooier, gladder oppervlak, maar het is nog steeds een makkelijke handeling die weinig toevoegt.

Hier zie je drie pijpenkoppen die zijn opgewreven in plaats van geglaasd. Twee pijpenkoppen zijn uit de 18e eeuw, de eerste van net vóór 1740 en de tweede van ongeveer 1780.  De eerste heeft nog geen extra aanduiding met het Goudse wapen op de zijkant van de hiel, de tweede heeft dat wel. Boven dat wapen is een 'S' geplaatst , ter aanduiding dat het hier niet om een hoge kwaliteit pijp gaat. De derde pijp is uit de late 19e eeuw en er is weinig meer aan de afwerking gedaan. De S boven het wapenschild is alweer verdwenen, omdat het werd afgeschaft in de 19e eeuw.
De merken zijn respectievelijk: W gekroond, HL gekroond en 67 gekroond.


Wat veel meer effect heeft, maar ook meteen veel arbeidsintensiever is, is het 'glazen' van de pijp. Het woord glazen komt van het Engelse 'to glaze', wat zoveel betekent als 'een glans geven'.  Als een pijp wordt geglaasd, gaat ie glanzen. Of dat is toch de bedoeling. Om dat voor elkaar te krijgen strijkt een pijpenmaker of pijpenmakersknecht een lijn langs het oppervlak van de pijp met een strijksteen. Het is een eenvoudig werktuig, maar voor het gewenste effect moet de punt van agaatsteen zijn, een niet alledaags voorwerp. Technisch bekeken drukt een agaatsteen bij het bestrijken van de halfdroge pijpaarde alle kleiplaatjes (op microscopisch niveau) één kant op. Het oppervlak van de pijp reflecteert het licht vervolgens ook netjes één kant op en daar gaat de pijp van glimmen. Hoe meer van deze lijnen je naast elkaar strijkt, hoe mooier dat effect is. Een pijp goed glazen kost alleen veel tijd, relatief kan het zelfs het langst duren van alle handelingen en dat maakt een goed geglaasde pijp niet alleen mooier, maar ook duurder. 

Het spreekt vanzelf dat het glazen alleen bij de betere kwaliteiten gebeurde.

Een op kop en steel geglaasde, 17 eeuwse dubbelconische pijp. De afzonderlijke strepen van de behandeling zijn goed te zien.

 

Je vindt ook wel eens pijpen die wel zijn geglaasd, maar toch glimmen ze niet. Dat komt omdat de pijpenmaker niet de beschikking heeft gehad over een agaatsteen en in plaats daarvan een goedkoper materiaal zoals bijvoorbeeld glas heeft gebruikt. De methode is dan hetzelfde, maar het resultaat valt tegen. 

 

Hoe zie je of een pijp is geglaasd? Er lopen streepjes over de hele lengte van het oppervlak. En meestal glimmen ze een beetje. Hoe goed een pijp is geglaasd zie je aan de ruimte tussen de streepjes. Een snel geglaasde pijp is voor ongeveer twee derde gestreept. Bij een goed geglaasde pijp zitten alles streepjes vrijwel tegen elkaar aan. Ook de steel telt mee. Die werd soms helemaal geglaasd, soms voor maar een deel. En ook weer netjes of voor maar twee derde. Aan dit soort kleine details kun je al heel wat te weten komen over de kwaliteit van een pijp.

 

Als een pijpenmaker de moeite heeft genomen zijn producten te (laten) glazen, dan zet hij er ook meestal zijn merk op. Het merk is reclame en voorbehouden aan pijpen die uitdrukken dat ze de moeite waard zijn. Zo is een merk reclame én een kwaliteitsaanduiding. Ook ongeglaasde pijpen kunnen gemerkt zijn. Met name in de 17e eeuw zijn er veel pijpen die netter zijn afgewerkt dan de goedkoopste pijpen, maar niet zijn geglaasd.  Het is een tussenkwaliteit . 

Het merk werd op deze pijpen gezet met een stempel.  Het zetten van een stempel is een extra handeling in het productieproces.

Pijpenmakersmerken op de hiel van 17e eeuwse dubbelconische pijpen.

 

Tijdens de overgang naar de 18e eeuw wordt het zijmerk bedacht. Deze wordt in de mal, waarin de pijpen worden geperst, gegraveerd en is automatisch voor de goedkopere soort. Door het zijmerk kan een pijpenkop namelijk niet meer netjes worden geglaasd.  Zijmerken blijven vanaf hun introductie voorbehouden aan goedkope pijpen.

Het zijmerk 'triton gekroond' op een eenvoudige 18e eeuwse trechterpijp (fragment).

 

Een laatste kwaliteitskenmerk is de radering rond de bovenkant van de pijpenkop.  Deze radering, in welke vorm hij ook aanwezig is, is puur decoratief. Hij is niet nodig. In het gemakkelijkste geval is er geen enkele bewerking aanwezig. Als er wel iets is gedaan, is de eenvoudigste versie een groefje in de kop, naar de roker toe.  Met iets meer fatsoen wordt deze groef langs de heft van de kop gezet, of zelfs helemaal rondom.  In de groef zit meestal iets van een radering, omdat dit soort randjes worden gemaakt met een speciaal voor dit doel gemaakt radeermesje. Hoe nauwkeuriger de radeerrand wordt gezet, hoe netter en symmetrischer de radeergaatjes er uit komen te zien. Dus bij een hele nette pijp, van hoge kwaliteit, loopt er vlak onder de bovenrand van de kop een radeerlijn van stippeltjes die allemaal even groot zijn en die rondom helemaal aansluit, zonder dat je het begin en het eind van de lijn nog kunt ontdekken.

Raderingstypen op verschillende pijpenkoppen. Op de eerste foto staat een 17e eeuwse pijp met alleen een groefje, de middelste twee pijpen uit de 18e eeuw hebben een nette radering vlak langs de bovenrand en de laatste, 19e eeuwse pijp heeft een snelle radering meegekregen.

Reactie schrijven

Commentaren: 0