Schoonhovense nabewerking


Hoe ziet het uiterlijk van een pijp er eigenlijk uit? En dan niet de vorm, waar al veel over geschreven is, maar het oppervlak. Als je goed naar het oppervlak van een pijp kijkt, dan kun je er in terug zien hoe een pijp is gemaakt. En vervolgens wat er allemaal is gedaan, of niet is gedaan, om de pijp mooier te maken. Omdat de pijpen uit Schoonhoven heel eenvoudig zijn en weinig nabehandeling nodig hadden, vormen ze een goed uitgangspunt om naar wat details te kijken.

 

Van oudsher worden pijpen gemaakt door klei in een mal te persen. Deze mal bestaat uit twee helften van een een messingen blok, waar door een metaalbewerker de vorm van een pijp in is gemaakt. Voor het steelgat wordt de klei eerst op een lange koperdraad gestoken, die tijdens het persen blijft zitten. Als de klei in de mal zit wordt de binnenkant van de pijpenkop uitgeperst met een soort handpers, de stopper. Als de mal weer opengaat heb je in essentie de pijp. De naden van de twee helften zijn na het persen goed te zien en ook de bovenkant van de kop, waar de binnenkant uit is geperst, is rafelig.

Zelfs de meest eenvoudig gemaakte pijpen zijn altijd op de naden en de rand van de kop netjes gemaakt. In Engeland was het normaal om de bovenkant van de kop glad te snijden, zodat er een harde rand ontstond, in Nederland gebruikten de pijpenmakers een gereedschap (een botter) om de bovenkant af te ronden, zodat er een zachte rand ontstond.

De randen van de twee vormhelften werden weggestreken met een ander gereedschap, een smoijer. Na zo'n behandeling waren de vormhelften niet meer zichtbaar, of dat was toch de bedoeling.


Hiernaast staat een Schoonhovense pijpenkop waaraan je de volgende details kunt zien:

- De bovenkant is gebotterd (afgerond). Om de pijp iets mooier te maken werd er vaak een klein randje met een radeermesje rond de bovenkant gezet, dat is hier niet gebeurd.

- De pijp is uit de mal gehaald en daarna is het oppervlak niet meer behandeld, dat kun je hier goed zien. Het oppervlak is ruw, met streepjes en bobbels en er plakken zelfs wat korrels klei aan, vuil van uit de werkplaats.

- De lobben aan de onderkant van de pijp, die ter versiering zijn aangebracht in de mal, zijn niet heel mooi gemaakt en al een beetje versleten. Door de lobben was de naad van de malhelften niet goed weg te halen. Aan de onderkant zie nog een scherpe rand met wat kleibraampjes.

Dit zijn allemaal typische kenmerken van lage kwaliteit/ hoge productiewerk.

 

Verder loopt er nog een hele lichte gele band over de kop, omdat de klei niet helemaal goed is gemengd, er zitten scheurtjes tussen kop en steel omdat de pijp waarschijnlijk is verplaatst voordat hij gedroogd genoeg was en, moeilijk om te zien, maar toch aanwezig, is een bobbel aan de onderkant van de kop die is ontstaan doordat de koperdraad voor het rookkanaal van de steel iets te ver naar voren is gestoken.


Deze pijpenkop, gefotografeerd zoals een pijp wordt gerookt, laat zien dat de naad tussen de twee helften van de persvorm (de mal) is weggestreken. Er ontstaat een platte streep die in dit voorbeeld zelfs de lob een beetje heeft afgevlakt.

 

Aan de bovenkant zie je een dunne groef langs de opening. Dit is de bovenkant van de kop zoals deze in de mal is aangebracht. De overtollige klei werd na het persen van de ketelopening weggesneden en dan werd de pijp gebotterd. De pijpenkop is hier nét een fractie te hoog geworden. Op de rand ligt nog een beetje omgeslagen klei. Dat is van het botteren.

 

Vaak werden pijpenkoppen aan de bovenkant iets verbeterd door langs de bovenkant een lijntje te zetten. Als dat heel vlug gebeurde zat er alleen een kerf in de kop naar de roker toe en als een pijp mooi moest zijn dan maakte men een heel fijn geradeerde stippellijn. Dit soort randen herken je eigenlijk altijd wel als sierrand. Ze zijn iets lager en duidelijker aangebracht dan de rand die aan deze kop zit.


Vergeleken met de pijp hierboven is er hier bijna niets weggestreken, het is een beetje fout gegaan. Er zitten drie stotters in de streep (de kleine dwarssnedes) en onder deze snedes zie je de lijn nog lopen van de twee vormhelften. De tremster (bijna altijd was de nabehandeling van een pijp vrouwenwerk) heeft besloten de lob ook niet teveel aan te raken, zodat er nu een uitstekend middendeel op zit.


Voor het weghalen van de vormnaden op de steel gebruikte men een gereedschap waar een halfronde geul in zat. Bij deze twee lobbenpijpen is goed te zien dat dit gereedschap (een zogenaamde smoijer) is gebruikt. tegen de lobben aan zit een deuk en één keer zelfs een kleibraam omdat er niet op tijd is gestopt.

 

Nog iets nieuws is op de rechterpijp te zien: In plaats van een weggestreepte vormnaad is er een kamstreek te zien die de vormnaad verbergt. Kamstreken op vormnaden waren in de 18e eeuw populair buiten Gouda. In Gouda zelf werd de kamstreek nog wel gebruikt om versierde pijpen af te werken.


Drie voorbeelden van kamstreken op de Schoonhovense pijpen.

Reactie schrijven

Commentaren: 0